Spelling
In groep 4 worden de spellingwoorden moeilijker. Kinderen leren dan dat ze een woord niet meer altijd mogen schrijven zoals ze het woord horen. Voor sommige kinderen is dit erg moeilijk.
Om ook thuis te kunnen oefenen, worden de woorden per hoofdstuk op het weblog gepubliceerd.
Zo weet ook u met welke woorden en regels er wordt geoefend in de klas.
Als u thuis wilt oefenen is het prettig als dit gebeurt d.m.v. het zeggen van het woord en uw kind te vragen waar hij aan moet denken bij het schrijven van dit woord. Daarna kan het woord worden geschreven.
Houdt uw kind van spelletjes op de computer? Het programma 'woordkasteel' biedt verschillende spelletjes om woorden mee te oefenen en dit is gratis te downloaden.
http://www.woordkasteel.com/wkasteel/download.htm
Hoofdstuk 1
Deze woorden mogen we nog schrijven zoals we ze horen. Maar we moeten goed opletten op welke plaats de letters komen. Als we dit moeilijk vinden, hakken en plakken we de woorden in stukjes. Een voorbeeld: b-l-i-k -> blik
We hebben geoefend met woorden met:
- twee medeklinkers vooraan: blik, bloem, breuk, brief, bril, broek, broer, bron, glas, greep, groen,
groep, groet, klap, klok, knie, knoop, knop, kraan, kruis, kruk, plus,
proef, traag, trap, troon
- twee medeklinkers achteraan: tent, als, bont, kans, koers, lamp, lift, mens, munt, wesp,
Hoofdstuk 2
Wat hebben wij geleerd:
-woorden met drie medeklinkers aan het begin: straat, spreek, straf, strak, streek, stroom, struik
-woorden met twee medeklinkers aan het eind met tussenklank: helm, wolf, balk, tulp, erf, dwerg, jurk,
berm, doorn, dorp, elf, half, volk, kalm, zorg, sterk,warm
Regel: in de vriendjesflat hebben twee medeklinkers samen pret.
-woorden die beginnen met f: fluit, feest, fijn, film, fles, flink, fors, fris, fruit
-woorden die beginnen met v: vis, vaart, vals, vast, vent, vijf, vlag, vlees, vlek, vlieg, vloer, vloot,
vlot, vlug, vraag, vroeg, vuist
Hoofdstuk 3
Wat hebben wij geleerd:
- woorden met drie medeklinkers op het eind: worst, arts, dienst, dorst, komst, kunst, liefst, oogst, vorst
- woorden die met s of z beginnen: som, slaap, soms, soort, stam, steel, stil, stem, stoel, stof, storm
- woorden die beginnen met sch of schr: school, schat, schelp, scherm, scherp, schets, schijn, schoon
schrift, schrik, schroef
- woorden met aai, ooi, oei : kraai, fraai, saai, taai
kooi, hooi, nooit, dooi, mooi
boei, groei, sproei, vloei
Hoofdstuk 4
Wat hebben wij geleerd:
- woorden met -ng : angst, ingang, kring, langs, slang, sprong, streng, wang
- woorden met -nk: dankbaar, drank, klank, links, pink
- woorden met de fopletter r bij -eer, -oor, -eur:
alweer, eerst, zeer, kantoor, koorts, voorjaar, deur, beurs, kleur, voordeur
- woorden met -eeuw, -ieuw, -uw: geeuw, leeuw, sneeuwpop, nieuwe, kieuw, duw, schuw, ruw
Hoofdstuk 5
Wat hebben wij geleerd:
Wat hebben wij geleerd:
-woorden met -ch: pech, ach, lach, toch, zich
-woorden met -cht: lucht, achter, bocht, dicht, echt, jacht, klacht, knecht, kracht, macht, nicht, plicht, slecht, tocht, uitzicht, vlucht, vocht, vrucht, wacht, zacht, zicht, zucht
-woorden met -ei: reis, eigen, eind, einde, keizer, kleine, meisje, paleis, sein
-woorden met -au: saus, au
-woorden met -auw: pauw, blauw, flauw, gauw, klauw, nauw
-woorden met de: de, bende, tante, engel, enkel, honger, je, jongen, kleuter, moeder, ronde, te, vinger, we, winkel, woede, ze
Hoofdstuk 6
In het vorige hoofdstuk hebben we woorden geleerd die we met een au of ei schrijven.
In dit hoofdstuk hebben we woorden met ij en ou geleerd. Dit noemen wij weetwoorden.
Je kunt niet horen welke letter je moet schrijven. Je moet het gewoon weten.
- woorden met ij: bijbel, blijk, gordijn, grijs, ijer, kwijt, opzij, partij, rijk, rijtuig, voorbij, wijk
- woorden met ou: hout, jou, kou, koude, nou, oude, ouder, zout
- woorden met ouw: bouw, gebouw, jouw, mouw, touw, trouw, vrouw
Ook oefenen we met voorvoegsels:
- woorden die beginnen met be-: bezoek, bedrag, bedrij, begin, beroep, beslag, besluit, bestaan, bestek,
- woorden die beginnen met ge-: gebruik, gedrag, gehoor, geluk, geloof, gemeen, genoeg, gevaar, gezin
Hoofdstuk 7
Het controledictee wordt donderdag 21 maart afgenomen.
In dit hoofdstuk hebben we woorden met ee geleerd zoals slee, en woorden die eindigen op d.
Dit noemen wij regelwoorden.
De regel luidt:
In dit hoofdstuk hebben we woorden met ee geleerd zoals slee, en woorden die eindigen op d.
Dit noemen wij regelwoorden.
De regel luidt:
Lange klank aan het eind
(aa,oo,uu)
Dan is er 1 teken dat verdwijnt
(ga, zo, nu)
Behalve de ee,
Dan schrijf je er wel twee
Hoor je een t aan het eind:
Langer maken en dan hoor je
Of je een d of t moet
schrijven.
-d
-t
woorden met ee: daarmee, ermee, fee, mee, nee, ree, slee, snee, tree, twee, vee;
woorden met eind -d die klinkt als /t/: baard, beeld, bord, brood, dood, gezond, god, hond, maand, paard, tand, vriend, woord;
Ook leerden wij verkleinwoorden op je, pje en tje: boekje, bootje, briefje, dorpje, drankje, grapje, huisje, ijsje, kaartje, kruisje, neefje, pakje, poosje, potje, zusje, armpje, boompje, bloempje, duimpje, filmpje, kraampje, raampje, riempje, rijmpje, wormpje, beertje, broertje, diertje, kleurtje, kooitje, kroontje, muurtje, schuurtje, vrouwtje en zoontje.
Hoofdstuk 8
In dit hoofdstuk hebben we de volgende woorden geleerd:
- woorden met een d die klinkt als een t. Daar hoort deze regel bij:
In dit hoofdstuk hebben we de volgende woorden geleerd:
- woorden met een d die klinkt als een t. Daar hoort deze regel bij:
Hoor je een t aan het eind:
Maak het woord dan langer.
Dan hoor je of je een d of t moet
schrijven.
hond, bad, bed, blind, blond, boord, brand, breed, draad, grond, haard, hand, koud, hoofd, land, strand, wond, zand, zwaard.
- woorden met twee klankgroepen.Waarvan de eerste klankgroep eindigt op een medeklinker.
dok-ter, an-der, hel-der, kas-teel
mantel, meester, minder, monster, morgen, onder, persoon, vreugde, wonder
banden, beelden, feesten, branden, kaarten, kasten, lichten, plaatsen, planten
- woorden met een open lettergreep aan het eind.
ja, sla, la, ma, pa, nu, stro, vla, zo, vlo
Hoofdstuk 9
De kinderen zijn druk bezig met het leren van de regels die horen bij de open en gesloten lettergreep.
Waarom schrijf je soms een a terwijl je een aa hoort? (apen) Of schrijf je twee keer een medeklinker die je niet hoort (binnen).
Op school wordt hiervoor een stappenplan doorlopen.
1. Luister naar het woord.
2. Verdeel het woord in klankgroepen.
3. Welke klank hoor ik aan het eind van de klankgroep?
4. Welke regel hoort erbij?
- Een korte klank? De korte klankregel (a,e,i,o,u)
De kinderen zijn druk bezig met het leren van de regels die horen bij de open en gesloten lettergreep.
Waarom schrijf je soms een a terwijl je een aa hoort? (apen) Of schrijf je twee keer een medeklinker die je niet hoort (binnen).
Op school wordt hiervoor een stappenplan doorlopen.
1. Luister naar het woord.
2. Verdeel het woord in klankgroepen.
3. Welke klank hoor ik aan het eind van de klankgroep?
4. Welke regel hoort erbij?
- Een korte klank? De korte klankregel (a,e,i,o,u)
Bij een klankgroep een korte klank aan het eind
dan is er 1 teken dat verschijnt.
De volgende klankgroep wordt nu flinker
want die krijgt een extra medeklinker.
- Een lange klank? Lange klanken (aa,oo,uu,ee)
Bij een klankgroep een
lange klank aan het eind,
dan is er 1 teken dat verdwijnt.
Ook de ee doet nu mee. 5. Schrijf het woord op.
6. Controleer het woord.
De woorden per categorie:
- woorden met eind -d of midden-d die klinkt als een /t/
armband, goedkoop, hemd, hoed, iemand, kind, kleed, lied, mand, pond, schuld, stad, veld, vijand,
vreemd, waard, wild, wind, zaad
- woorden met lange klank aan het eind van de klankgroep: jager, avond, boter, deken, hamer,
dader, kleren, kogel, leraar, meter, muziek, neger, olie, regen, slager, tomaat, toneel, water, apen,
beren, broden, dagen, draden, ogen, platen, sloten, schuren, vragen
- woorden met een korte klank aan het eind van de klangroep: allemaal, appel, bakker, binnen, emmer,
jullie, kapper, kassa, lekker, spullen
Hoofdstuk 10
|
Les1
Jager
adem
boven
dame
even
grootvader
haven
hemel
hotel
kamer
koper
lezer
lokaal
mager
motor
najaar
open
overal
tegen
wapen
zadel
|
Les 2
ballen
bossen
bommen
blokken
brillen
bussen
sokken
bruggen
spinnen
steppen
trappen
tikken
|
Les 3
buiten
keuken
ieder
moeder
vleugel
vlieger
vroeger
zieke
boeken
boeren
fluiten
fouten
hoeden
kleuren
kousen
mouwen
scheuren
schoenen
|
Les 4
sleutels
spiegels
tafels
tekens
torens
vingers
vissers
vogels
wortels
zolders
|